Deel 2 1882-1893 Moeizaam op weg naar het 1 x 11-jarig jubileum
Na een eerste succesvolle samenwerking van een aantal verenigingen, waaruit in 1881 de Marotte-sociëteit voortkwam en die in 1882 Sittard zijn eerste optocht gaf, waren de verwachtingen voor de toekomst hooggespannen. Niets was echter minder waar!
Seizoen 1882/1883
Het carnavalsseizoen 1882/83 was reeds lang gestart en in andere plaatsen gonsde het al van activiteiten, maar niet in Sittard. Dit werd enkele leden van de gymnastiekvereniging Swentibold – in 1882 medeorganisator – te gortig. Op 20 januari 1883 werd een advertentie geplaatst waarin een oproep werd gedaan om medewerking voor het samenstellen van het nummer “11-9” van de Pappegey dat op carnavalsmaandag 5 februari zou moeten verschijnen. En weer lukte het binnen zeer korte tijd het tweede nummer van de Sittardse carnavalskrant van de persen te krijgen.
“Koutelebouts-club Swentibold” wilde echter meer en probeerde ook een optocht te arrangeren voor het jaar 1883. Er is echter nergens iets te vinden over een optocht in dat jaar.
Door deze tegenslag liet men zich echter niet ontmoedigen en besloot men om in het jaar 1884 weer een optocht te organiseren. Nu was de belangstelling van dien aard, dat het plan kon worden doorgezet. Vreemd is dat tot dusver van een Marotte-sociëteit in geen velden of wegen iets te bekennen valt. Inmiddels was ook het besluit genomen om de “Vastelaovesgazet” weer te laten verschijnen waarvoor medewerking werd gevraagd in bijdragen en advertenties. Ook kondigde men aan dat op maandag 4 februari een huis-aan-huis collecte zou worden gehouden ter financiering van de optocht. Het carnavalsprogramma voor 1884 was dus weer binnen betrekkelijk korte tijd in elkaar gedraaid en zag er als volgt uit: zondag 24 februari toneelvoorstelling, organisatie het Marotte-comité; entreeprijs 48 of 30 cent (twee rangen). Maandag 25 februari optocht, ‘s avonds Marottebal. Het carnavalsfeest 1884 eindigde met het verloten van prijzen onder de oplossers van het “’prijsraadsel”’ in de Pappegey tijdens een vergadering op Paasmaandag. Hierbij werden ook “niet-Marotten” toegelaten.
Seizoen 1884/1885
Dit werd ingezet met een “bestuursvergadering van de Marotte-club” op 28 januari 1885. Wegens “ongunstige tijdsomstandigheden” (economische malaise) vond er in 1885 geen optocht plaats. De uitgavereeks van de Pappegey wilde men echter niet verbreken terwijl ook het carnavalsliedje 1885 in druk zou verschijnen.
Belangrijk gebeuren in 1885 was het voornemen om de sociéteit om te vormen tot een vereniging. Daartoe kregen de Sittardenaren de gelegenheid om “tegen een retributie” van 30 cent bij toetreding en een maandelijkse bijdrage van 15 cent lid te worden van de Marotte-club. Het tot dan toe besloten karakter van de sociéteit werd aldoende doorbroken. Tot uiterlijk 16 februari kon men hiervoor intekenen op een lijst die bij “Kissels oppe Brandj” gedeponeerd was. Hierdoor verzekerde de vereniging zich van “vaste inkomsten” waardoor het volgend jaar “eenen flinken optocht tot stand zou kunnen worden gebracht”.
Op vastenavond 15-17 februari 1885 werd het “11-7jaorig feest” gevierd in “de Marotte-tempel bie Wenand Kissels oppe Brandj”. Dit is de eerste maal dat er sprake is van “een Tempel”. Ook prijkt op het officiële programma voor het eerst het begrip “Comité van XI”. Het programma voor de carnavalsdagen 1885 was als volgt: Zondag om 11.00 uur werd aan de tempel de “Marotte-vaan” uitgestoken.Ook dit is een nieuw ceremonieel element in de viering. De “vaan” in de kleuren “rood-gael-gruin” is heden ten dage nog een van de uiterlijke verschijningstekenen van de Marotte. Vastenavondmaandag “klokschlaag 12 oere groote plechtigheid bie et verschiene van de Pappegei en ‘t Vastelaovesleidje”. Beide werden huis-aan-huis te koop aangeboden. De Pappegei kostte “11 eurtjes of 6 cent” en het liedje “11 hauf eurtjes of 3 cent”. Op dinsdag werd het carnaval uitgeluid met een “Nonnevotte-partie”.
Het affiche van de activiteiten was ondertekend door de leden van “’t Comité van XI” dat bestond uit: Claudius Kamps (president), H. Könings (secretaris), J. Schreij (groot-seremoniemeester), M. Thissen (penningmeester), A. Close, N. Dols, H. van Elssen, J. Brouwers, E. Arnoldts, Chr. Thissen, G. Könings, E. Levenbach en H. Cals, leden.
Het persverslag weet over de feestelijkheden te melden dat die “in de beste orde” zijn verlopen. Van de Pappegey, die binnen de kortste tijd geheel uitverkocht was, verscheen een herdruk op dinsdag. Ook deze was weer snel aan de man gebracht.
In het verdere verloop van dat jaar voltrokken zich op het organisatorische vlak, de sociëteit werkte aan een regelement, niet onbelangrijke activiteiten van de Marotte. De contributie kreeg daarbij veel aandacht. De beslissing over het regelement, waarmee de vereniging haar eerste juridische grondslag verwierf, viel op 11 januari 1886. Het regelement, dat elf (!!) artikelen telde, omschreef naast de doelstelling de rechten en plichten van leden, comité en commissie van elf van de vereniging die bestond uit honoraire en gewone leden waarbij het getal van de gewone leden op maximaal 2500 (exact het aantal mannelijke inwoners dat Sittard op 1 januari 1886 telde!) werd gesteld. Het totaal aantal inwoners bedroeg toen 5188. Het recht van de vereniging was destijds dus nagenoeg uitsluitend aan mannen voorbehouden.
De Marotte hebben deze “discriminatie” waarschijnlijk als onrechtvaardig aangevoeld getuige een tekst in het elfde artikel:
“Wiersch höbbe ver serieus beschlaote ouch Marottinekes toe te laote”
Uit dit zwak voor het schone geslacht heeft zich het alom bekende Sittardse vrouwencarnaval kunnen ontwikkelen dat vooral in de jaren tussen de beide wereloorlogen hoogtij vierde en dat vanaf de vijftiger jaren evolueerde in de practisch in geheel Limburg bekende “Auw wieverbals”. Overigens werd pas in 1900 een dameszitting gehouden.
De contributie bedroeg fl. 1,80 en bij toetreding – na ballotage – was een inschrijfgeld van 50 cent verschuldigd. Ieder lid was verplicht mee te lopen in de optocht en bij elke activiteit moest de “Marottemötsch”worden gedragen. Bij het in gebreke blijven op welk gebied dan ook verloren de leden alle rechten. Naast het eigenlijke doel, het maken van plezier, lag in het regelement ook de hulp aan de armen verankerd. Jaarlijks werd fl. 30,- voor het uitdelen van brood en kolen beschikbaar gesteld.
Voor het eerst werd tijdens de vergadering van 21 februari 1886 de volgens het regelement verplichte “Grosse Probe mit de nuu oetgevoenje Marotte-mötsch” gehouden. In druk verschenen achtereenvolgens het Regelement, de carnavalsliedjes 1882-1886 met als aanhangsel “Sittarsche Vastenavondgedichten” en de Pappegey. Tevens zou voor een kleine optocht worden gezorgd. Het jaar 1886 kreeg als motto:”Baeter get es gaar niks”.
Volgens het persbericht heeft de optocht in dat jaar “in alle opzichten voldaan voor het weinige dat men beloofd had”. De vijfde jaargang van de Pappegei met een oplage van 1000 exemplaren werd tijdens de optocht nagenoeg geheel verkocht. De collecte voor de armen bracht rond de 40 gulden op waarvan 150 broden onder de armen konden worden verdeeld. Het bericht in de krant sluit met: “Het goede doel der Club verdient alle lof”.
De activiteiten van het daaropvolgende seizoen beperkten zich tot één enkele bestuursvergadering op 17 januari 1887. Enige agendapunt: “Rekening en verantwoording”. Zonder dat er ruchtbaarheid aan werd gegeven verschenen de Pappegei, het vastenavondliedje 1887 en werd op carnavalsmaandag het “11-5 jaorig” feest gevierd.
1887/1888
De geringe feestelijkheden in dat jaar vonden plaats onder het motto: “Wat e waer, wat e waer…en”. De Pappegei rolde van de persen en het Marottebal vond plaats in de tempel Kissels. De commissie was inmiddels gereduceerd tot 8 personen. Samen met het comité, dat nog steeds bestond uit de heren Cl. Kamps (president), H. Könings en M. Thissen vormden J. Schreij, Chr. Thissen, E. Arnoldts, G. Könings, E. Levenbach, H. Cals, J. Brouwers en E. Leurs het bestuur van de Marotte.
1888/1889
Dit verenigingsjaar bracht wat meer leven in de brouwerij. Naast de traditionele activiteiten als het verschijnen van de Pappegei, het Marottebal en de bals in andere gelegenheden werd het programma verrijkt met “het extra boetegeweun groot beesteschpeel van paerd en veules, clowns, kouteleboutschlaegesj enz.” tevens trok de “Keizerlike koeniklicke Schtaafkapel van Griesegröbbe”door de stad. Tijdens de rondgang was er collecte voor de armen. De zondagavond werd gevuld met een toneelvoorstelling in samenwerking met scherm- en gymnastiekclub Swentibold. In de raad van Elf vonder er dat jaar enkele mutaties plaats. De plaatsen van E. Arnoldts, G. Könings en H. Cals zijn ingenomen door G. Grein, H. Lemmens en J. Swakhoven.
Carnaval 1890 verdient vanwege bijzondere activiteiten en nieuwigheden een afzonderlijke vermelding onder de kroondata. O.a. was besloten weer een grote optocht te laten trekken Aan optochtdeelnemers werd zelfs geen bijdrage of inschrijfgeld gevraagd. De door de Marotte te laten vervaardigen kostuums konden voor de halve prijs worden overgenomen door de deelnemers. In tegenstelling tot andere jaren zou de Pappegey vóór vastenavond verschijnen. De belangrijkste nieuwigheid was echter de figuur van “Prins Carnaval” die voor het eerst zijn intrede doet in de geschiedenis van de Marotte. Die eer viel te beurt aan Jean Arnoldts die onder de naam Prins Sjang I in een “triomfwagen” de optocht een ander cachet zou geven.
‘s Avonds waren er weer het traditionele Marottebal in de Marottetempel en de openbare bals bij de wed,Mahr (Plakstraat) en C. Paulsen (Paardestraat). Het Marottefeest in de tempel op maandag werd opgeluisterd door de Philharmonie en de harmonie van Linne. Van de Pappegei werden rond 1200 nummers verkocht terwijl de collecte voor de armen ongeveer 80 gulden opbracht.
1891
Bescheiden van opzet. Opening met het zondag-avond toneel door Swentibold in zaal Kissels. Carnavalsmaandag ging rustiger voorbij (maandag uitsluitend Marottebal) “daar door de Marotte-club geen optocht was gearrangeerd en ook vele liefhebbers de carnavalspret in Maastricht wilden bijwonen”. Om de laatste reden verscheen ook de Pappegey pas op dinsdag. Openbare bals waren er in de zalen van wed. Mahr (Plakstraat), C. Paulsen (Paardestraat) en P.N. Martens, genaamd “In de nuuje Kètel”(Putstraat).
1892
In carnavalistisch opzicht ook niet bepaald succesvol. Maandagmiddag uitgifte van van het elfde(!) nummer van de Pappegey. Alleen dit feit al had aanleiding kunnen zijn de viering iets meer reliëf te geven. Ook het bal in de Marottetempel kreeg niets extra’s. Voor dinsdag stond een “poffertjes-partij”op het programma. Kon het nog on-Limburgser? Op maandag en dinsdag waren er bals bij Leinarts-Mahr (Plakstraat) en Martens (Putstraat).
De sfeer verbeterde niet gedurende het verdere verenigingsjaar. En dat terwijl het eerste carnavalistisch jubileum (1x11 jarig bestaan) voor de boeg stond. Spanning alom. Het ongemerkt voorbij laten gaan zou voor veel Sittardenaren en niet te verteren aangelegenheid worden. Gedachtig de spreuk “Marotte Populusque Sittardiensis” zou deze dreiging als een “misdaad tegen het volk” kunnen worden opgevat. Reacties tegen deze slappe houding konden dan ook niet uitblijven.
1893 (Jubeljaar 1x11)
Denk ich aan den auwen tied, Doe waor gein aafguns, haat of nied. Van tweedrach waor doe geine kal Mer noe besjteit dat euveral... (1893)
Voornoemde reacties verschenen in het begin van 1893 toen in andere plaatsen het carnavalsvuur, in tegenstelling tot in Sittard, al ontstoken was o.a. middels een aankondiging dat met carnaval “ten bate van de armen de Lamaeker, nuuj Vastenaoventsgazet” zou verschijnen. Dit zou natuurlijk een geduchte concurrentie voor de Pappegey betekenen. Deze dreiging kon nog worden bedwongen door het Marottecomité. Aan het organiseren van een optocht door de “Steiwiger Klompeclub” in samenwerking met Swentibold kon men echter niet meer het hoofd bieden. Daarnaast verscheen op maandagmorgen 11 minuten over 11 “Vrouw Schnouck”, een geïllustreerde vastenavondskrant, uitgegeven door de in Sittard verschijnende “Katholieke Waarheidsvriend”. De Pappegey daarintegen kon die maandag pas vanaf 3 uur ‘s middags worden gekocht!
De viering onder Marottevlag was zeer beperkt: op zondag optreden van de toneelafdeling van Swentibold in zaal Kissels en maandag het Marottebal. Geen jubileumprins, geen eigen organisatie optocht terwijl men zich voor het bal meer richtte op een elitaire groep dan op de hele gemeenschap. Een en ander kwam duidelijk tot uiting in de toegangsprijs voor het Marottebal: 75 cent voor niet-leden. De openbare dansgelegenheden daarintegen waren geheel gratis of tegen betaling van entree, variërend tussen 15 en 24 cent.
Bijzonderheid: in café Deleuker nabij de Groote Kerk werden tijdens de Vastenavonddagen géén gemaskeerden toegelaten.
In de persverslagen kreeg de carnavalsviering van 1893, met uitzondering van het toneelspelende Swentibold en de optocht van de Steiwiger Klompeclub, geen bijzondere aandacht.
Lees ook
Deel 3 Op naar het 2 x 11 jarig jubileum |
|
|
|